WOUDENBERG

genealogie
-uitgebreid-


Hendrik Steenhof is de oudst gevonden voorvader van geslacht Woudenberg (W).
Het lijkt  juister te zijn om niet Hendrik maar zijn zoon Jan als oudste Woudenbergse Steenhof te zien.

Jan Hendriksz moet geboren zijn tussen 1630 en 1660.
Waar is niet bekend.
Hij bevindt zich rond zijn 20e / 30e  levensjaar in ieder geval in Woudenberg.
Hoe kunnen we ons dat 17e eeuwse Woudenberg voorstellen?

Woudenberg

Het betreft hier wat werd genoemd het dorp Woudenberg. Dat was letterlijk 'het centrum' van Woudenberg, met de kerk als centraal punt.
In het westen, net buiten de dorpskern lag de gemeenschappelijke weidegrond, 'de Meent'. Het recht op gebruik van de Meent was voorbehouden aan de eigenaars van perceeltjes land binnen de dorpskern. 
De boeren in het buitengebied hadden hun eigen grond.
Elke morgen werden de koeien van de dorpskernbewoners naar de Meent gedreven, langs de molen en over de stenen brug over de Grift. 's Avonds bracht de herder de beesten weer terug tot het buitenste gedeelte van de dorpskern,  vanwaar ze zelf de weg vonden naar hun eigen stal.
Praktisch alle huizen in het dorp hadden een stal voor een of meer koeien die zuivel en vlees moesten leveren.

Er bestaat geen oude plattegrond van het dorp. Ook zijn er geen 17e eeuwse afbeeldingen. 
Wel is bekend dat er wat uiterlijk betreft niet veel is veranderd in de 17e en 18e eeuw. 
Wanneer we afbeeldingen bekijken uit de 18e eeuw, krijgen we toch enigszins een beeld van het dorp waarin Jan leefde.
De dorpskern werd gedomineerd door drie straten, parallel gelegen, van Oost naar West, 
(nog niet consequent) aangeduid als Voorstraat, Middenstraat en Achterstraat.
De straten waren al in de tijd van Jan bijna helemaal bebouwd. De grond was in de 17e eeuw waarschijnlijk al net zo ingedeeld als later, op de kadasterkaart van 1812  te zien zal zijn.

Al zolang men zich kon herinneren had Woudenberg een kerk. Centraal gelegen in het dorp, de huizen eromheen.
Het was een oude kerk (2e helft 14e eeuw), gebouwd met sloopmateriaal van het eerste kasteel van Woudenberg.
Er zijn de nodige verhalen bekend over plunderingen, afbraak, en herstellingen van de kerk. 
Het is bekend dat in de jaren rond de geboorte van Jan de kerk er slecht aan toe was, 'ellendich door d'ongeregeltheyt van den voorgaenden dienaar'.
Na de Reformatie was het katholicisme officieel verboden. In Woudenberg werden nog wel af en toe kinderen stiekem 'paepsch' gedoopt bij de mensen thuis.

In het westen van de dorpskern, bij de Achter- en Middenstraat, lag de ruïne van wat ooit het kasteel Woudenberg was. Gebouwd in de 15e eeuw en samen met de kerk het fundament van wat zou uitgroeien tot dit dorp. In de tijd van Jan was er van de oude burcht niet veel meer over (het zal in de 18e eeuw worden afgebroken).

In Woudenberg was sinds de 16e eeuw een broederschap gevestigd.
De  broederschap had een eigen altaar in de kerk en zorgde ervoor dat er (voor het eigen zielenheil en dat van anderen) missen werden gelezen. Deze 'vieringen' werden meestal afgesloten met een uitgebreid diner.
De broederschap had in het dorp zo haar eigen belang, want de leden bemoeiden zich met de armenzorg. 
Na de Reformatie vervielen veel oude gebruiken, maar hun armenzorg bleef bestaan.
Met de kerk zelf had de broederschap nogal eens onenigheid over de armenzorg.  

Het dorp had een school, ook al ten tijde van Jan. De kerk was verantwoordelijk voor het onderwijs. In Woudenberg was de koster tevens schoolmeester. Dat was al sinds de 17e eeuw zo, en dat zou tot in de 19e eeuw zo blijven.
Vandaar dat er 'les' werd gegeven in de kosterij. De eerste school kunnen we dan ook vinden in de kosterij, naast de pastorie. Het stukje straat werd Schoolstraat genoemd.
U begrijpt dat het onderwijs een ander karakter had. De koster zal veel aandacht hebben gehad voor bijvoorbeeld zingen.
Ook zal hij geprobeerd hebben de kinderen wat lezen bij te brengen. Er moest immers de bijbel gelezen kunnen worden. Misschien dat het vak schrijven er soms bij inschoot. De genoemde pastorie stond er sinds vele eeuwen.
Een groot en statig herenhuis, ten oosten van de kerk, op de hoek van de Schoutstraat en de Schoolstraat.
Het had een grote tuin. Hier woonde de predikant
(voor de Reformatie woonde hier de pastoor).

Het was rustig in het dorp, ten tijde van Jan.
Woudenberg werd in die jaren gespaard voor oorlogsgeweld. In de eeuwen ervoor zeker niet. 
Meer dan eens werd het dorp belegerd, geplunderd en leeggeroofd. Meer dan eens stond het in brand. 
Meer dan eens was het slachtoffer in een strijd tussen hertogen en bisschoppen, vaak ook onderling in hevige schermutselingen verwikkeld. Het werd regelmatig aangevallen door de Geldersen. 
De bevolking vluchtte uit het dorp.

Het is heel wel mogelijk dat Jan afstammeling is van één van de vele import-Geldersen. 
We weten dat er in de 16e eeuw nogal wat Gelderse militairen met een Woudenbergs meisje getrouwd zijn en in Woudenberg zijn blijven hangen. Ook in bijvoorbeeld de Tachtigjarige Oorlog had het dorp veel hinder van de doortrekkende troepen.

Woudenberg had alweer meer dan 100 jaar een 'schans'. Deze diende ter verdediging van de Gelderse Vallei, maar lag er ten tijde van Jan verwaarloosd bij. Enige jaren terug was wel begonnen aan herstel, maar de naderende vijand had de arbeiders (en ook de soldaten) doen vluchten … De schans bleef over als een oude, vervallen en verlaten stelling, even buiten het dorp, in het oosten. 
(Nog altijd zijn er resten van dit verdedigingswerk.)

Woudenberg was een 'Heerlijkheid'.
De baas van de Heerlijkheid Woudenberg was  'de Heer van Woudenberg'.
(Dat waren vanaf de 14de eeuw Sweder van Abcoude en zijn familie. De Heerlijke rechten werden in het eind van de 15de eeuw verkocht aan de Bisschop van Utrecht, waardoor de rechten later aan de Staten van Utrecht kwamen.)
De rechten waren die van een Ambachtsheerlijkheid. Dat wil zeggen dat de Heer de schout en de secretaris benoemde (tegen betaling!) en ook de schepenen. De rechtsspraak bleef daarbuiten en werd dus door het Hof van Utrecht uitgeoefend.
(NB: In een 'Hoge Heerlijkheid' werd zelfs de doodstraf door de bezittende Heer uitgesproken).
Uit de tijd van de van Abcoudes stamt het onderscheid tussen het Oude Gerecht (oud bezit van de familie),
het Nieuwe Gerecht (bijgekocht in de 14-15e eeuw) en het Dorp; uit elk gebied werden twee schepenen benoemd, die weer werden voorgezeten door een schout. In de Voorstraat stond het huis van de schout.

Zo was het beeld van Woudenberg in de tijd waarin Jan Steenhof er voorkomt.  

 

Jan Steenhof, de eerste met 'een verhaal'

Geboren tussen 1630 - 1660.
Hoewel zonder 'bewijzen' 
(Het huwelijksregister van Woudenberg begint in 1684) en slechts bij benadering te reconstrueren,
is Jans eerste levensteken zijn huwelijk met Gosentje Roelofs. Hij woonde (mogelijk al voor het huwelijk) in haar ouderlijk huis. Het is waarschijnlijk, dat Gosentje in het bewuste huis is opgegroeid en mogelijk ook is geboren.
Gezin Goossensz woonde er al voor 1675. 
Het huwelijk moet omstreeks 1676/1677 gesloten zijn.
Gosentje is de dochter van Roelof Goossensz en Beatrix Aarts.

Er zijn verschillende reeksen locale belastinglijsten van Woudenberg bewaard gebleven.
De oudste, één ter zake het zogenaamde logiesgeld 'Reckeninge ende uytsettinge van de logys gelden over Woudenberg, Geresteyn en de Ginckel' dateert van 1680; daarin komt Jan Hendriksz niet voor. 
(Pas in 1682 gaat hij betalen).
Wél vinden we zijn schoonvader Roelof Goossensz op de lijst terug: Roel Gosens, met sijn swager.

In het Middelnederlands betekent 'swager': ieder door huwelijk 'meevermaag-schapt' persoon, dus ons huidige woord 'zwager' maar ook 'schoonzoon'.
En daarmee hebben wij de verklaring: Jan Hendriksz trouwde  met Gosentje een dochter van Roel Gosensz.

de Oostal
Jan was smid. Omdat er geen zekerheid is omtrent de exacte datum van het huwelijk van Jan en Gosentje, is niet bekend of Jan al voor zijn kennismaking met haar als smid werkte. Er is in ieder geval in het kerkeboek van Woudenberg een verzoek gekopieerd van 2 november 1677 van' Jan Hendriksz Steenhof smit',
om te mogen hebben tot sijn gebruijk een roede gronds van de kerk in de lengte en 6 voeten in de breedte om een oostal te mogen setten naast de Kerkstraet alhier, agter de hofstede van Willem Claasz zuidwaarts, noordw. de kerk, westw. Roel Gosensz, oostw Cornelis Lambeertsz.
Dit verzoek is goedgekeurd, mits hij 10 stuivers per jaar  zou betalen.
Een oostal is een installatie waarin men paarden beslaat, later hoefstal genoemd. 
                                            
Jan werkte dus in 1677 mogelijk al als smid. We kunnen bij benadering zeggen waar zijn oostal lag. 
Tussen de Midden- en de Voorstraat lag een 'pad' dat duidelijk gebruikt werd om sneller van de Voor- naar de Middenstraat (en de kerk) te kunnen gaan. Dit stuk werd 'de Kerkstraat' genoemd. 
Het woonhuis lag ruwweg op de linkerhoek van Kerkstraat/ Middenstraat. Op de andere hoek had ooit het huisje van Thonis Rijcxs gestaan. Nadat het verdween werd dit (weer?) 'kerkgrond'. 
Zijn oostal kunnen we plaatsen op die lege ruimte tussen de huizen, aan het eind van de Kerkstraat, al dan niet gedeeltelijk óp de Kerkstraat.
(Jaren later zal de oostal worden afgebroken en worden vervangen door een huisje.
Nu bevindt zich op die plek een parkeerruimte).

Hij woonde in bij zijn (latere) schoonouders, mogelijk al voor zijn huwelijk, maar in ieder geval na zijn huwelijk.
De Middenstraat werd in die tijd nog niet als zodanig genoemd. Pas na 1719 zou het die naam krijgen
(het was ook letterlijk de middelste straat, tussen Voor- en Achterstraat.) 
Het was een straat zoals alle 'straten' in die tijd. Niet veel meer dan een vaak modderig pad, waarlangs de huisjes en boerderijen onregelmatig geplakt lagen.

de Kerk
De kerk zal zeker rol gespeeld hebben in het dagelijks leven van Jan.
Het huis lag pal naast de kerk, slechts gescheiden door wat bomen.
Door bovengenoemde notatie in het kerkeboek, kunnen we exact aanwijzen waar Jan woonde en werkte.
De kerk speelde sowieso een rol in het leven van de Woudenbergers. 
Het was een plaats voor samenkomst. Er werden zaken geregeld. Er werden ook de zakelijke afkondigingen gedaan en waarschijnlijk nog wel meer dan we mogen weten … Er liepen zelfs honden en er speelden kinderen. Rond de kerk lag een 'zandvlakte', zonder graven of bestrating.
                                                             

Ik stel mij voor, dat er geen duidelijke erfafscheiding tussen straat en kerkgrond was, maar waarschijnlijk zal er toch een sloot om de kerk hebben gelegen met een of twee bruggetjes/dammetjes. De bruggetjes waren door een hek of een rooster niet toegankelijk voor de koeien. Karren, paarden en wagens konden daarom ook waarschijnlijk vanaf de Middenstraat de kerkgrond niet oversteken. Er was nog geen kerkhof of begraafplaats. Er werd begraven ín de kerk.  

situatie circa 1700
(is niet exact weer te geven)

1. Oostal van Jan Steenhof, vanaf 1677.
Voor circa 1675 woonde hier Theunis Rycxsz. 
Zijn huisje heeft er tot circa 1675 gestaan. 
Daarna was het waarschijnlijk braakliggende grond in eigendom van de kerk.
Na circa 1693 woont hier Thonis Wildeman. Eigenaar is Hendrik van Geitenbeek.

2. Huis Roelof Goossensz tot circa 1688.
Vanaf circa 1676 woont Jan Steenhof hier ook, bij schoonouders in.
Vanaf 1681 is er een smederij bij.
Vanaf circa 1688 wonen Jan en Gosentje er zonder (schoon-) ouders.
Hendrina Geitenbeek is vanaf circa 1693 eigenaresse.

3. Cornelis Lambeerts Brom. 
Het betreft drie panden naast elkaar.
Na circa 1693 is Hendrik Geitenbeek eigenaar.

4. Willem Klaasz (= Voorstraat 29)

5. school

6. Jan Petersz, smid, 
ongehuwd. Van voor 1675 tot na 1690.  

7. Roelof Goossensz
woont van circa 1688 tot 1693 niet meer bij Jan, maar in de Voorstraat op nummer 9,
in huis bij schoenmaker Cornelis Willemsz.  

afbeelding A 
beeld vanaf de Voorstraat, 
richting Kerkstraat. / kerk 

afbeelding B 
beeld vanaf de Schoutstraat, richting kerk  

Kijken we, na het aanklikken van de camera door onze oogharen naar de onderstaandestaande twee afbeeldingen, die dateren van een eeuw later. 
En denken aan het Woudenberg van Jan en Gosentje. 
Bekijken we afbeelding (A) van de  Kerkstraat. 
Stellen we ons hun huis voor, 
achteraan aan de linkerkant met daarnaast de oostal.

En de afbeelding (B), die ons de kerk toont. 
We kunnen ons goed voorstellen waar zich het huis en de oostal bevonden,
daar aan de linkerkant. 
Het huis was ten tijde van deze afbeelding zelfs mogelijk nog in tact.  

 

Huisnummers
Er bestonden nog geen huisnummers. De huizen werden beschreven als in het geval van Jan en Gosentje; 'agter de hofstede van Willem Claasz zuidwaarts, noordw. de kerk, westw. Roel Gosensz, oostw Cornelis Lambeertsz'
De meeste huizen rond de kerk waren (ooit) boerderijen. Ook stonden er her en der de bijgebouwen, al dan niet als overblijfsel van een voormalige boerderij. Met zo'n bijgebouw wordt bijvoorbeeld een tabaksschuur bedoeld, of een schaapskooi.

Aan de hand van diverse bestaande (en getranscribeerde) Woudenbergse lijsten, kunnen we vinden, dat de familie Brom, de rechterburen van Jan en Gosentje daar al geruime tijd woonde. Buurman Cornelis Lambertsz Brom was wat ouder dan Jan.
Toen Jan er kwam wonen waren de kinderen Brom nog minderjarig. Buurman Brom kreeg er in de loop van betreffende jaren nog twee panden bij (aan de andere kant).  

het smitshuijs
Op 5 februari 1681 richt Jan opnieuw een verzoek tot de kerkenraad, ditmaal
om een smitshuijs te mogen bouwen aan de gevel van sijn huijs tegen de kerk noordwaarts.
Ook dit wordt goedgekeurd mits betalende 10 stuivers per jaar.
(Blijkens een aantekening in de marge gaat het hier om een huisje op het perceel dat in het kadaster van 1832 sectie B585/586 is genoemd).
Wat betekent dit?
Feitelijk wil het zeggen, dat hij voor 1681 nog geen smederij
(smidshuis=smederij)
had. Dat lijkt vreemd; wél een oostal maar geen smederij. Ging Jan misschien nu als zelfstandig smid werken nadat hij eerst in dienst was geweest bij iemand?
Of was er voor die tijd een provisorische smidse aan huis?

nog een smid
Vermeldenswaardig is verder dat er in Woudenberg, naast Jan nog een andere smid was: Jan Petersz. 
(
Deze Jan was iets jonger dan Jan Steenhof. Jan Petersz trouwde iets later dan Jan Steenhof. 
Wij vinden in genoemde lijsten de naam van deze Jan Petersz meermaals terug. 
Hij woonde al voor 1675, als 'jonge ongehuwde man' in de Voorstraat. 
Daar woonde hij circa 1686 nog. Op een lijst uit 1693 zien we dat hij de twee buurhuizen dan ook in zijn bezit heeft.)

kinderen
Van Jan en Gosentje zijn tot nu toe tien kinderen bekend. Niet alle tien zijn gevonden in het doopregister van Woudenberg (mede omdat dat pas in 1686 aanvangt). Ieder kind dat voor 1686 geboren/gedoopt is, staat in ieder geval niet als zodanig in de boeken. Dat ze een kind zijn van het echtpaar Steenhof-Roelofs blijkt uit bijvoorbeeld een vermelding bij een huwelijk of overlijden. 
Of uit een optreden van doop- of huwelijksgetuigen van de kant van Steenhof / Roelofs.

De eerste geboorte moet niet lang na het huwelijk (circa 1678) geweest zijn.
Van zes kinderen Steenhof werd geen doop of geboorte gevonden: Hendrik, Rijkje, Willem, Jacobus, Grietje en Gerrigje. Niet alle zes zijn voor genoemd jaar 1686 geboren.
De doop van de andere vier komen we in de kerkeboeken tegen.

Hendrik
In 1705 zal een Hendrik Jansz Steenhof in Woudenberg voor komen.
Deze Hendrik is ongetwijfeld een zoon van Jan en Gosentje; hij is gezien zijn huwelijksdatum stellig voor 1686 geboren.
Van hem is geen inschrijving gevonden. We kunnen aannemen dat Hendrik één van de kinderen is die voor 1686 geboren zijn.

Willem
Hetzelfde geldt voor Willem. Geen geboorte gevonden, maar wel een huwelijk.
Het staat vast dat ook deze Willem een zoon is van Jan en Gosentje.

Grietje
Omstreeks 1684 wordt Grietje geboren, geen doop bekend.

Gerrigje
Ook van dochter Gerrigje is een huwelijk bekend, maar geen doop.

Rijkje
Dochter Rijkje komt meerdere keren voor, maar we kennen geen doopdatum.

Jacobus
We zullen kennis maken met zoon Jacobus. Zeker een zoon, maar zonder doopdatum.

Aert
In 1688 wordt Aert geboren. Hij wordt op 19 februari 1688 gedoopt. Aert is het eerste kind Steenhof dat wij als zodanig opgetekend vinden in het kerkeboek.

Petrus / Pieter
In de winter van 1692 wordt Petrus geboren. We komen hem ook tegen als Pieter. Het jongetje wordt gedoopt op 20 april dat jaar.

Roelof
Op 6 oktober 1694 wordt Roelof gedoopt, het negende kind.

Beatris
En tenslotte is daar op 14 februari 1697 dochter Beatris. Ze wordt drie dagen later gedoopt en ingeschreven in het kerkeboek.

(Merkwaardig dat pas de jongste twee kinderen vernoemd zijn naar grootouders Goossen, met wie het gezin zo'n hechte band had. Mogelijk waren er eerder kinderen geboren met die naam, maar tussentijds weer overleden).

 

Oudschildgeld
In 1686 (en 1696) werd 'het oudschildgeld' geheven, een soort grondbelasting.
Voor ons is de lijst die werd opgesteld weer een prachtige bron. 
We vinden er weer bijna alle percelen van Woudenberg op.
De schout nam eerst de bewoners van het dorp zelf op.
Hij begon aan de zuidzijde van de Voorstraat, bij de poort, en keerde bij nummer 20 langs de noordzijde weer terug, tot nummer 40. Dan was hij op de hoek en ging verder met de Middenstraat. 
Daarna was de Achterstraat aan de beurt.
En zo werden de dorpsbewoners genoteerd. 

officieel bewoner in de Middenstraat
Met de geboorte van de kinderen wordt het krapper in huis. We zien dan ook de schoonouders Roel en Beatris Goossensz in deze jaren verhuizen van de Middenstraat naar de Voorstraat, waar ze gaan wonen bij schoenmaker Cornelis Willemsz.
Vanaf dan wordt Jan Hendriksz als bewoner van de Middenstraat vermeld.

In 1690 vinden wij vader Jan aangesteld als diaken.

Logiesgeld
Wij hadden het al over het Logiesgeld. Deze belasting werd geheven naar draagkracht. Het is bekend dat Jan in 1682 meer Logiesgeld betaalde dan hij in 1691 deed. Daaruit kunnen we opmaken dat zijn welstand na 1681 is afgenomen.

Haardstedengeld
In 1693 wordt er weer 'Haardstedengeld' geheven.
Dat was een belasting en had te maken met het aantal haardsteden (vuurplaatsen/haarden/schoorstenen/rookgaten/schouwen/ovens). 
Het ging om plaatsen waar vuur gestookt mocht worden of waar rook uit kwam.
Deze belasting was alweer bijna een eeuw in gebruik.
Jan had twee haardsteden in gebruik en betaalde daar  2,--. voor.
Hij is zowel 'eygr. als bruycker', eigenaar en gebruiker, en het is 'bij de selve opgegeven', hij heeft het zelf opgegeven.
Waarschijnlijk werd één van de haardsteden  gebruikt voor het smeedwerk.

 

de eerste jaren van de 18e eeuw

Vanaf hun huwelijk woonden Jan en Gosentje in bij schoonouders Goossens in de Middenstraat.
Vanaf circa 1688 woonden Roelof Goossen en zijn vrouw Beatris een straat verder, in de Voorstraat op nummer 9, bij schoenmaker Cornelis Willemsz in huis. Ze blijven daar tot hun dood wonen. Roelof overlijdt circa 1693 en hij wordt begraven in de kerk. (Zijn grafsteen is nog steeds te vinden in het looppad van de kerk.) Zijn weduwe Beatris blijft, ook tot haar dood in de Voorstraat wonen.

Situatie in 1697
Jan, werkzaam als smid.
Woont met Gosentje en de kinderen schuin tegenover de kerk, in de Middenstraat, naast het Kerkstraatje.
Kinderen Hendrik (circa 17 jaar), Grietje (circa 13), Rijkje (circa 12), Aart (overleden of 9), Gerrigje (ouder dan 7), Petrus (5), Jacobus (circa 4), Roelof (3) en Beatris (0).
Opmerkelijk dat zoveel kinderen binnen één gezin in leven bleven. Mogelijk kregen Jan en Gosentje méér kinderen, maar van genoemde kinderen is meestal iets meer bekend dan bijvoorbeeld een doop. 
Het ligt voor de hand dat er in de eerste huwelijksjaren al eerder een kleine Roelof (vernoemd naar opa Roelof) geboren is.

Jan kan niet schrijven.
Op 15 april 1690 tekende Jan een brief namens de diakonie. Daaruit blijkt dat hij niet kon schrijven. 
Hij gebruikt een "Merk" - kruisteken

Bij de notarissen in Utrecht zijn geen akten te vinden van Jan Hendriksz. Steenhof. De eerste notaris kwam pas in 1719 in Woudenberg.

Oudste zoon Hendrik werkte als smid, waarschijnlijk bij zijn vader.

de Poort van Woudenberg
Een belangrijke ontmoetingsplaats in het dorp was De Poort, het centrum van de dorpskern. 
Op deze viersprong lag een klein pleintje. De mannelijke bevolking hield zich in de vooravond bij voorkeur hier op. Er werd gekeuveld over het dorp en de bewoners. Er werd van gedachten gewisseld over de Woudenbergse meisjes … Vader Jan en zijn zonen zullen hier menig pijpje gerookt hebben. 
Het is niet bekend waar de naam De Poort vandaan komt. Woudenberg heeft nooit een stadsmuur gehad. 
Er was dus ook nooit een stadspoort. In de 18e eeuw zal aan het pleintje een postkantoortje worden gebouwd. (Van het gemoedelijke pleintje is niets meer over. In 1945 werd het opgeblazen door de Duitsers. Nu is op die plaats een druk kruispunt.)

Jan overlijdt
Jan blijft voor komen tot 1699. Mogelijk overlijdt hij dat jaar, of het jaar erop.
Na die tijd, zien we Gosentje als weduwe (nog steeds in het oude huis) wonen, tot 1705.

* Dominee van Toll noteerde eerder, in 1690 als lidmaten: "Jan Hendrikse" en "Gosentje Roelofs". 
Achter Jans naam is later geschreven "obiit" (is overleden) zonder datum. 
In het familiegeld van Woudenberg komt Jan voor tussen 1688-1699, 
zijn weduwe tussen 1699-1705. Hieruit kunnen we opmaken dat Jan waarschijnlijk is overleden circa 1699.

Bij benadering kunnen we stellen dat Jan tussen de 40 en 70 jaar oud is geworden. 
Een hele grove benadering dus.
Het was gebruikelijk dat kinderen tot hun huwelijk thuis bleven wonen. Op het moment dat Jan overleed, woonden in ieder geval nog acht kinderen, (tussen de 0 en 20 jaar) thuis.

de jaren tot 1718
Na het overlijden van Jan zien we de eerste jaren erna (tot circa 1718) het volgende:
Het gezin blijft wonen in de Middenstraat.

Rijkje
Dochter Rijkje, inmiddels een jaar of vijftien oud, vertrekt naar Utrecht. 
We kunnen ons voorstellen dat ze daar gingen werken, als bijvoorbeeld dienstmeid.
Ze keert al dan niet tijdelijk terug naar Woudenberg. Ze wordt in 1705 door dominee van Toll aangenomen als lidmaat en staat op de lijst tussen Elzelina Lagerwey en Barent Anthonissen (van Wittenberg) die beiden omtrent 1684 geboren zijn, dus Rijkje zal ook wel van dezelfde leeftijd geweest kunnen zijn (de aanname was als ze 20/21 jaar waren). Later schreef de dominee erbij: "vertrokken naar Utrecht".
In 1718 trouwt Rijkje in Utrecht met Hendrik van Wijk
(get Aagje van der Pijl)
Rijkje is dan circa 33 jaar oud. Merkwaardig genoeg staat in de akte vermeld dat Rijkje 'toestemming kreeg van haar vader'. Wij weten dat haar vader (Jan) 18 jaar eerder overleed … 
Ook haar moeder Gosentje leefde niet meer.
Rijkje en haar man bleven in Utrecht wonen en kregen daar kinderen.
We zien haar gezin op een gegeven moment wonen in de Utrechtse Potterstraat.
Rijkje overleed in de winter van 1746. Ze werd door acht dragers naar haar graf gedragen in of naast de St.Janskerk in Utrecht, 'nalatende haar man en mondige en onmondige kinderen'.
Hendrik overleed vele jaren later, in 1763, in Utrecht.
Op 1 augustus 1753 is er een akte van overdracht van de winkel gemaakt voor notaris L. van der Pauw te Utrecht. Dit betekent dat er een winkel moet zijn geweest.
Rijkje noemde zich op latere leeftijd 'Regina'.

Hendrik
Het is mogelijk dat oudste zoon Hendrik het smeedwerk van zijn overleden vader overneemt. Waarschijnlijk heeft hij dat al eerder gedaan.
Hendrik is bij het overlijden van vader Jan circa 20 jaar oud. Hij heeft kennis aan een meisje uit Woudenberg, Geertje de Bree. Geertje woont naast oma Roelofs in de Voorstraat. 
Haar vader is ook smid. Hendrik en Geertje trouwen in 1705 en gaan/blijven wonen bij moeder Gosentje in de Middenstraat.
Wij volgen Hendrik en Geertje binnenkort verder met  hun eigen verhaal.

Grietje
Diezelfde tijd (1706) trouwt (Ned. Herv.) in Woudenberg oudste (?) dochter Grietje, met Hendrik Franken van Holten.
Ze is op dat moment circa 22 jaar.
Grietje en haar man gaan wonen in het Woudenbergse Geeresteijn.
Tussen 1707 en 1713 worden drie dochters en een zoon geboren met de naam 'van Holten'. 
(Er zijn oa nakomelingen Eijkelkamp Meerbeek, de Greef, v. Veenendaal bekend).

Gerrigje
Wéér wat later (1708) trouwt (Gereformeerd) in Utrecht dochter Gerrigje, met Abraham Marinus. Haar moeder Gosentje geeft schriftelijk toestemming.
De proclamatie van het huwelijk was in Amsterdam. Bruidegom Abraham woonde op dat moment in de Trans, in Utrecht.
Tussen 1746 en 1752 zal  Gerrigje lidmaat van de Ned. Herv. Kerk in Woudenberg zijn. Waarschijnlijk woonde ze die jaren ook in Woudenberg.
Het echtpaar moet verhuisd zijn naar Leusden.
Aldaar komt Abraham in 1756 te verdrinken. "Op den 23 maart 1756 heeft het hof, scout en de geregte van Leusden geannonceert om het verdronke lichaam van Abraham Marinus oud omtrent 76 jaren te mogen schouwen, mids de schouwcedulle denhove persoonlijkversendende.".
Gerrigje zal in de nazomer van 1761, in Woudenberg overlijden. We weten niet hoe oud ze toen was, maar het moet over de zeventig geweest zijn!

Jacobus
En dan is er zoon Jacobus. Van hem weten we niet veel.
Omstreeks 1709 moet hij het ouderlijk huis verlaten hebben. 
Hij werd toen, al dan niet vrijwillig soldaat.
U vindt online de tekst van een document, opgemaakt in 1712. Het gaat over Jacobus Steenhof, die zich, als soldaat van het Regimant Plettenborg heeft misdragen ...
Het is bijzonder dat we van hem 'slechts' dit feit weten omdat er verder niets over hem te vinden is. Wanneer Jacobus zich niet had misdragen, was zijn bestaan nooit meer opgevallen!
  

Petrus / Pieter
Na Hendrik, Grietje en Gerrigje trouwt (in 1713) broer Petrus, met Lijsbeth Wildeman.
Zie zijn beschrijving

Aert (Arij)
In de Logysbelasting van 1714 wordt zoon Aert voor het eerst genoemd, met vermelding 'smid'.
Net als vader Jan en broer Hendrik is ook Aert dus smid. Omdat vader Jan en broer Hendrik beiden overleden zijn, is het heel aannemelijk dat Aert na het overlijden van zijn broer (1712) de ouderlijke smederij overnam.
Hij woonde in 'Het Dorp'.
Op 22 april 1716 is hij (Arij Jansz Steenhoff), 28 jaar oud aangemonsterd als soldaat en een maand later vertrok hij met het (VOC-)schip "Herstelde Leeuw"  naar Batavia.  Hij kwam bijna vijf maanden later aan in in Kaapstad  en het schip vertrok weer op 11 oktober 1716. Aankomst in Batavia 10-01-1717. 
      Het schip was 160 voeten lang en had een tonnage van 1138 ton. 
      Er was een bemanning aan boord van 225 personen. Daarvan zijn 168 matrozen en 57 soldaten. 
      De kapitein was Jacob Wijsvliet. Onder de passagiers was één "Stowaway" = verstekeling.
      Het schip was in 1704 gebouwd in Zeeland. 
Alle soldaten kregen £ 3,00 handgeld voor 2 maanden.
Aert is in augustus 1719 overgeplaatst naar Malakka..  In de "Verzoekboeken" vinden we zijn verklaring dat er £ 15.00 betaald moet worden aan Marie Esse. Mogelijk was dit zijn echtgenote.




    handtekening van Aert Jansz in een VOC document

In de jaren erna belandt Aert in de gevangenis. Op 30 september 1722 wordt hij in de gevangenis in Malakka.geradbraakt ...  (helaas zijn er verder geen gegevens bewaard gebleven over Malakka)
In het soldijboek vinden we dat er jaarlijks £ 30.00 overgemaakt wordt aan Marie Esse van Wijck. Aert is 34 jaar oud geworden.

Van de kinderen  Roelof en Beatris weten we verder (nog) niets.

moeder Gosentje overlijdt
Tot dat moment vinden we moeder Gosentje nog in de boeken. Ze betaalde het 'logysgeld' (van 1700 tot 1714), gaf schriftelijk toestemming voor een huwelijk (1708), wordt genoemd in een document betreffende zoon Jacobus (1710) en was doopgetuige (1706, 1711, 1713). Na 1714 komen we haar niet meer tegen. Mogelijk daarom, dat ze in die tijd is overleden.