'stout soldaatje'

In het archief van het Hof van Utrecht bevindt zich een document
(HUA, Hof van Utrecht 99-10 (pag 628 op de film) 
dat zowel voor de geschiedenis van de familie Steenhof als voor de locale gschiednis van  Woudenberg interessant is.

In december 1710 liep soldaat Jacobus over de straat van Woudenberg; mogelijk nadat hij in de herberg ‘Het Rad van Avontuur’, tegenover de Schans, enkele versnaperingen had genoten.
Ter hoogte van de Poort passeerde hij het ‘Grote Huis op den  Hoeck’ waar Hendrik Gerrits van Geitenbeek herberg hield en woonde met vrouw en 9 kinderen waaronder de kleine Maria (geb. 1698 en Emmitje (geb.1710).
Hier begon het drama: de hond van Geitenbeek vloog luid blaffend op Jacobus  af onder de spottende ogen van de meisjes ven Geitenbeek
Hij vluchtte achterlangs het grote Huis naar de smederij van zijn vader vlak tegnover de kerk.

.................. Hieronder staat de complete transcriptie van dit document.

upplnt = supplicant = de verzoeker (Jacobus) zelf.

1712    Jacobus Jansse Steenhoff in submissie ontfangen

       Aan den Ed Hove  van Utrecht

1.        Geeft ootmoedelijck te kennen Jacobus Jansse
2.        Steenhoff, gedetineerd op den huyse van Hasen-
3.        berg en soldaat onder ‘t regiment van Plettenborgh,
4.        dat jegens hem zijnde verleent apprehensie corporeel
5.        over excessen, die bij hem in de Maand December 1710
6.        tot Woudenbergh soude zijn gepleegt, daar op oock
7.        gevolgt is dat hij op den 24 Januarij 1712 is geap-
8.        prehendeert ende in gevangenisse alhier overgebracht,
9.        dat hij supplnt is geboortigh van Woudenbergh, wiens
10.    ouders aldaar als eerlijcke lieden  altoos hebben ge-
11.    woont en verkeert, dat sijn moeder en verdere vrienden
12.    aldaar woonachtigh oock alsoo bekent zijn, dat hij
13.    supplnt het ongeluck heeft gehad om op eenen
14.    Sondagh in maand van December 1710 seer be-
15.    schoncken te zijn geweest, dat hij alsoo gaande de
16.    straat van Woudenbergh op, is gekomen tot
17.    voor de huysinge van Hendrick van Geijtenbeeck,
18.    dat voor die deur lagh sijnen hond den welcken
19.    op hem supplnt seer is aangevallen en gebast heeft
20.    in der voegen den supplnt moeste retireren
21.    bijna tot over de grootestraat, dat hij geen stock
22.    off degen bij hem  hebbende, den hond echter van sijn lighaem
23.    gekeert heeft,  dat eenige dochters van gemelde Geijtenbeeck
24.    benevens andere kinderen siende de moeijelickheit die
25.    den supplnt hadde met  den hond daaromme seer lachten
26.    ’t welck den supplnt tot toorne aansettede, soo dat hij daar
27.    op avanceerde naar de deur van gemelten Geijtenbeeck
28.    waar op oock gevolgt is dat de gemelde dochters retireerden
29.    in huijs en de deur toesmeten, dat hij supplnt daar op is heen
30.    gegaan, sonder alsdoen  verdere moeijten te soecken, dan komende
31.    op de hoogte van den hoff besijden de huijsinge van de voorn.
32.    Geijtenbeeck soo hebben twee jonge kinderen off dochters
33.    van hem Geijtenbeeck met hem supplnt de spot gedre-
34.    ven, hem uijtgelacht en in de handen geklapt het welck
35.    hem in sijn dronckenschap soo seer ontstack, dat hij naar
36.    sijn moeders huijs liep, aldaar sijn degen op zijde stack
37.    ende wederom gingh na de huijsinghe van den voorn.
38.    Geijtenbeeck, dat hij aldaar komende wederom voor
39.    de deur vond de voorsz. hond die oock op hem supplnt
40.    aangehist wiert, en welcken hond op hem weder sterck
41.    aanvallende, soo heeft hij den hond met sijn bloten degen
42.    teruggegedreven tot over de deur van den voorn.
43.    Geijtenbeeck, dat de dochters van denselven Geijten-
44.    beeck siende dat den supplnt avanceerde op de
45.    voordeur, deselve hebben toegesmeten, waar op den
46.    supplnt met sijn degen verschijde malen door de glazen
47.    heeft gestoten, en daarop is heengegaan, dat van alle
48.    ’t geene voorsz is (in't noot zij) suffisant bewijs soude
49.    konnen werden geproduceert, dan alsoo den supplnt
50.    sich versekert houd, dat bij ingenomen informatie daar
51.    van sal konnen blijcken, Soo heeft hij om verdere kosten
52.    te eviteren liever raadsaam geoordeelt sijn toevlucht
53.    te nemen tot de heren van desen Ed.Hove, die sijn dronc-
54.    kenschap insiende en de occasien, die hem gegeven zijn
55.    om tot het voorschr. exces te komen, ‘tselve in hem
56.    wel sullen willen oversien, dat hem supplnt te voren
57.    komt, alsoff op den 17e Januarij 1712 laatstleden tot
58.    Woudenbergh soude zijn voorgevallen een andere actie,
59.    waar over hij supplnt soude culpabel zijn, edoch
60.    vertrouwende dat daar van niets sal komen werden
61.    geprobeert tot sijnen lasten, immers niets van die im-
62.    portantie dat daar over jegens sijn persoon soude kon-
63.    nen werden geprocedeert. Ende alsoo den supplnt zijnde
64.    in ‘sLands dienst oock wederomme vereijst wordt bij sijn
65.    regiment, en van geen vermogen is om de kosten en misen
66.    van justitie te supporteren dan waartoe sijn nabestaande
67.    vrienden het hare noch wel souden willen doen, ingevalle
68.    die met redelijcke somme soude konnen worden vol-
69.    daan, soo keert den supplnt hem tot UEd:, ootmoedelick
70.    versoeckende remissie van ’t voorsz. begane exces, immers
71.    dat hij supplnt dienaangaande in submissie mochte wer-
72.    den ontfangen, 'twelck doende etc., ende was getekent
73.    Jacobus Jansse Steenhoff, T. Vosch van Avesaet, in
74.    capite stond geappointeert, Advijs aan den procureur
75.    Generaal, actum t'Utrecht den 1e Februarij 1712, ende
76.    was getekent W. Vastrick. lager stond 'tHoff gesien
77.    het  advis van den Procureur Generaal, ontfangt den
78.    supplnt in submissie ende condemneert denselven ter
79.    cause van 't exces bij de Requestrant vermeld ten behoeven
80.    van ’t Comptoir van de Exploiten in tweehonderd gul-
81.    den boven de kosten bij hem in hechtenisse verteert, ende
82.    dat de verdere kosten uijt de voorsz. twee honderd
83.    gulden sullen werden betaald. Actum t'Utrecht den
84.    2e Februarij 1712 ende was getekent  W. Vastrick.