VOLTHE

HORIGHEID IN OOST-NEDERLAND

rechtstoestand in Overijssel
Wie iets wil weten over de rechtstoestand van de 'onvrijen' in Nederland, moet vooral eens kijken naar Overijssel (en Gelderland). Daar was, zelfs in de laatste jaren van de republiek
de lijfeigenschap nog niet verdwenen. Er woonde veel landelijke bevolking waaronder allerlei horigen, en in het gebied ontwikkelden zich tal van hofrechten.

oude vormen van horigheid
In Gelderland, met name  in het oostelijk deel van de Graafschap Zutphen, bestonden aloude vormen van horigheid, zoals:
het leven in het hofverband
verplichtingen van
meer persoonlijke aard, zoals de verschijningsplicht op de jaarlijkse hofdagen
vreemdsoortige bepalingen van oude hofwetten
Dit alles bleef dus (zeker tot aan het einde van de Republiek) in stand.
Deze situatie was in Nederland uniek te noemen. Bijna overal was tegen het einde van de middeleeuwen de horigheid in onbruik geraakt. 
In Groningen en Friesland kwamen horigen al in de middeleeuwen zelden meer voor; 
Holland kende sinds de 14e eeuw geen horigheid meer. 
Daar was de horigheid geworden tot verhoudingen als pacht, erfpacht of ook wel grondrente. 

afschaffing horigheid
Onder invloed van de Verlichting ging
men ook in Overijssel en Oost-Nederland rond 1800 de horigheid negatief beoordelen. 
Horigen werden gezien als een minderwaardig soort mensen, nog gebukt onder een vorm van slavernij. 
Hoe heeft dit kunnen ontstaan?

ontstaan van de horigheid in de vroege middeleeuwen
In die tijd draaide alles om grondbezit. Grondbezit betekende inkomsten.
Daarom hadden de  toenmalige grootgrondbezitters, de adel en de talrijke kloosters, er alle belang bij om hun uitgestrekte bezittingen economisch rendabel te maken. 
Er waren  twee methoden voor een hoger rendement, namelijk het hofstelsel en de horigheid.

hofstelsel
Het hofstelsel hield in dat het grootgrondbezit werd verdeeld in talrijke kleine agrarische centra, de hoven.
Het ging om honderden hoven.
Van daar uit konden de verplichte leveringen van goederen in natura gemakkelijk worden gecontroleerd en de dienstverrichtingen van de horigen eenvoudig worden geregeld. 
Aldus werden de onder deze hoven ressorterende horigen tot hofhorigen gemaakt. 
Het was echter ook weer niet zo dat alle horigen binnen hofverband leefden.
De oudst bekende
hof in Oost-Nederland is de hof te Eltinge bij Duiven, al in 838 genoemd. 

exploitanten 
Wie waren de grootgrondbezitters?
Allereerst waren er de wereldlijke heren. 
In het voormalige Oversticht (=Overijssel) waren dat de bisschoppen van Utrecht. 
Tegen het einde van de 11e eeuw was het wereldlijk bezit van de bisschoppen in Twente al afgerond. 
Daarnaast waren er enkele lokale machthebbers met uitgestrekte bezittingen.
Verder was veel grond eigendom van kloosters ern abdijen. 

hofmeier, hofkring en hofrechtspraak
Het domein van de grootgrondbezitters was dus verdeeld in kleine economische centra, de hoven. 
Op zulk een hof, te zien als een grotere boerderij, veelal versterkt en omgeven door grachten, resideerde de vertegenwoordiger
van de heer, hofmeier of scholte geheten. 
Hij fungeerde als een soort rentmeester. 
Hij zag er op toe dat de horigen hun verplichtingen naleefden en dat de periodieke leveranties aan de heer stipt werden uitgevoerd. 
De meier was meestal zelf ook horige en fungeerde als een soort primus inter pares
Rond de hoven woonden de horigen, soms geconcentreerd, soms verspreid, welke tezamen het hofverband vormden, ook wel hofkring of echte geheten. 
Samen vielen zij onder de werking van de voor hen geldende hofwetten en de daaraan verbonden hofrechtspraak. 
De laatste hofmeiers stamden uit het geslacht van Beverforde en hadden hun zetel in Ootmarsum.  
(zie ook 'eigenaren van erve Steenhof' e.v.

verschillende horigen
De horigen vormden geen homogene groep.
Ze zijn te verdelen in vier verschillende categorieën, te weten 
-  de eigenlijke hofhorigen
-  de keurmedigen, in Twente ook wel kamerlingen geheten
-  de hofeigenen 
-  de hofvrijen
De verschillende groepen hadden verschillende rechtsposities.
Dat was bijvoorbeeld goed te zien aan het voor hen geldende erfrecht. 

hofdagen
Eenmaal per jaar dienden alle horigen acte de présence te geven teneinde de hoofdcijns te betalen, een
klein bedrag, ten teken van hun horig zijn (‘de placke leggen’). 

hofrecht
Oorspronkelijk was de positie van de horigen onvrij en onzeker.
Maar na de 13e eeuw werd hun rechtspositie schriftelijk vastgelegd in de hofwetten. 
Het gehele complex hofwetten noemt men het hof-recht.
Het hofrecht legde de rechten en plichten van de hofheer en de horigen nauwkeurig vast.
Hieruit blijkt dat de rechtspositie van de horigen voldoende gewaarborgd was.
Het waren dus zeker geen rechteloze slaven.
Ook kenmerkend voor het hofrecht was, dat de rechtsregels nooit eenzijdig werden gewijzigd of aangevuld. 
Dit contractuele karakter is terug te voeren tot het tijdstip dat de positie van de horige boeren vrij sterk was, namelijk de periode na de pestepidemie van 1350-1352.
Vrijwel geheel Oost-Nederland was toen ontvolkt geraakt en de grondheren hadden er alle belang bij om hun landerijen weer bevolkt te krijgen.

hofrechtspraak
Nauw verbonden met het hofrecht was de hofrechtspraak van de hofgerichten
.
Ten overstaan
van de ‘hofrichter’ en zijn secretaris de ‘scriver’, werden alle conflictsituaties betreffende
de horigheidsverhoudingen besproken en daartoe recht gedaan. 
Twee bijzitters ‘tegeders’fungeerden als deskundige inzake de toepassing
van de hofwetten. 
En ze adviseerden bij twijfelachtige en duistere zaken.

genealogische bron
De stukken van de hofgerechten en de boekhouding van de hofdagen zijn een schitterende genealogische bron.
Zeker door de eeuwenlange
traditie van de hofhorigheid in Oost-Nederland. 
Over alle mogelijke aangelegenheden
van het boerenbedrijf werd uitvoerig gediscussieerd en alles
werd nauwkeurig vastgelegd met naam en toenaam. 

lasten
De horigen moesten lasten opbrengen, vaste en variabele lasten.
       De vaste lasten keerden jaarlijks terug en bestonden uit
hoofdcijns of hoofdgeld en de grondcijns. 
       De hoofdcijns werd voldaan op de hofdag. 
       De grondcijns
gold als vergoeding voor het gebruik van de grond, aanvankelijk betaald in natura, 
       later in  een vast geldbedrag.
       tienden
      
Naast betaling van hoofdcijns hadden de pachters te maken met de afdracht van een tiende deel 
       van de oogst. Vee, gerst en rogge ging richting 'de kerk'. 
       De variabele lasten waren afhankelijk van bepaalde gebeurtenissen zoals overlijden en huwelijk.
       Zo was er de plicht dat bij overlijden een deel van de nalatenschap naar de hofheer ging.
Wanneer een niet-horige, bijvoorbeeld door huwelijk, binnen de hofkring
trad, diende hij of zijn vrouw tegen betaling horig te worden.
Tegen betaling kon men de hofkring
ook weer verlaten en werd men vrij. 
Bewoners van diverse hofkringen konden
onderling ook ruilen. 

 

belmundigheid
Nalatigheid, zoals het niet
betalen van de verschuldigde afdrachten of het niet-verschijnen op de hofdagen,
werd gestraft met de zogeheten ‘belmundigheid’.
Men werd vervallen verklaard van
zijn hofrechten en diende het horig goed op staande voet te verlaten.

situatie Overijssel/Twente
Het hofstelsel heeft lang bestaan in dit gebied.
Deels vanwege het isolement, deels ook doordat het aloude hofsysteem zo’n goede administratie van het grondgebruik impliceerde.
Met moeite en pijn kwam er in Overijssel in 1662 de invoering van de ‘Ordre en Redres over ‘s Landts Domainen van Twente’. 
Dit bracht een nadere herziening van de vroegere bepalingen. 
Niet overal en tegelijk. Er waren gebieden die tot in de 19e eeuw nog de oude hofdagen en hofgerichten hadden.


Noten

Mr. Dr. P.G. Aalbers, div publicaties
S. J. Fockema Andreae, Bijdragen tot de Nederlandsche rechtsgeschiedenis, Hoorigheid,  Haarlem 1892.
B. H. Slicher van Bath, Een samenleving onder spanning;het platteland van
Overijssel, Assen 1957.
B. H. Slicher van Bath, bijdrage tot een geschiedenis der
nederzettingen in Oostelijk Nederland, Assen 1945. 
K. Lohmeyer, Das Hofrecht und Hofgericht ... Geschichte der
Münsterschen Amtsverfassung, Munster 1906.
Overysselsche Gedenkstukken, deel 4
W. H. J.
Massink, Hoorige rechten in Twenthe, Zwolle 1927


.