OOST-NEDERLAND
ALGEMEEN
 


het Rijk van Nijmegen


1650

Het Rijk van Nijmegen vormde in de oudste tijden geen samenhangend geheel.
Het was gescheiden door daarin liggende
bezittingen van kerken, geestelijke gestichten en erfgoederen van edelen. De grenzen waren ongeveer dezelfde als de huidige.
Het Rijk van Nijmegen grenst ten noordwesten aan de rivier de Waal, ten noordoosten en oosten het land van Kleef, ten zuiden de rivier de Maas en ten zuidwesten en westen het ambt van tussen Maas en Waal. 

Het Rijk van Nijmegen omvat twaalf dorpen, een vrije heerlijkheid en het Nederrijksche wald.
In ieder dorp is een dorpsbestuur bestaande uit de schout
en twee Buurmeesters (burgemeester), die jaarlijks worden herkozen. 
Het dorpsbestuur regelt de dagelijkse aangelegenheden in het dorp.

We zien er twee rivieren, de Waal en de Maas.
Langs de Waal en de Maas liggen diverse dijken en waterkeringen om de dorpen te beschermen.
Onder Wijchen, Ubbergen, Groesbeek, Heumen en het Nederrijksche wald bevinden zich bergen en heuvels, zeer waarschijnlijk
overblijfsels van vorige zeeboezems en duinen.
Er ligt het Wijchense meer, dat door het van boven afkomende
regen en kwelwater geformeerd wordt, en zich in de Maas ontlast. Er is het Ubbergsche meer,dat afgevoerd wordt in de Waal. 

'Herenwegen'
Enige herenwegen zijn, behalve de bandijken:
In de Ooy een kleiweg, lopende van de 'Ooischen bandijk'
door Persingen op Zyfflich en van daar op Kleve.
In Ubbergen een zandweg, lopend van Nijmegen
langs de Ubbergsche bergen op Beek, en zuidwaards de bergen op naar het Nederrijksche wald en de grote 'Cleefsche' baan.
Te Groesbeek een zandweg, leidende van Nijmegen
over de heiden, door 'het wald', naar Kranenburg.
Te Heumen voert een zandweg, komende van Groesbeek en
dwars door het dorp lopende op het dorp Overasselt, lopend naar Malden en van daar op Hatert en Nijmegen.
Te Malden de gemeenteweg door het Maldensche broek.
Te Wijchen een zandweg lopende van Nijmegen over de
Teersdijk, over de heide en vervolgens door Nederasselt naar Grave.

Behalve enige overblijfsels van oude kastelen worden hier geen gedenktekens of andere merkwaardigheden gevonden, uitgezonderd in Ubbergen: de resten van een gezondheidsbron, 
thans (circa 1700/1800)
geheel vervallen, 

missiegebied
In de Tachtigjarige Oorlog werd het Land van Maas en Waal steeds meer een missiegebied:
Parochies kwamen zonder pastoors te zitten en kerken werden bestemd voor de hervormde eredienst. 
Hier en daar werden wel enkele schuilkerken ingericht (al of niet op kastelen), en missionarissen trokken - vaak vermomd rond
om de sacramenten te bedienen. 
Ondanks
de grootte van het gebied was het dekenaat niet te groot, omdat het aantal posten (staties) betrekkelijk klein was.

tweedeling
Deze toestand bleef voortduren tot aan de komst van de Fransen in 1794. 
Onder het motto
'Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap' namen de katholieken in Maas en Waal de oude kerken weer in bezit en werden de parochies heropgericht.
Hierdoor werd het gehele gebied plotseling
weer wél te groot om vanuit Nijmegen bestuurd te worden. Daarom werd in 1804 het dekenaat Nijmegen in tweeën gedeeld. 
Uit het decreet blijkt, dat
dit gebeurde volgens de grens Rijk van Nijmegen - Ambt van tussen Maas en Waal, echter met enkele kleine afwijkingen van de verdeling
(zie uitgebreid 'kerken'  

De Duffelt
De streek tussen Nijmegen en Kleve wordt ook wel aangeduid als "de Duffelt".
De Duffelt was aanvankelijk een ambt onder het Hertogdom Gelre, totdat dit in de 15e eeuw bij het Hertogdom Kleve kwam.


Atlas Christiaan Groter (1652) 

overstromingen
Ons land is eeuwenlang geteisterd door stormvloeden, overstromingen, hoogwater of juist laagwater. 
Vrijwel in alle delen van het land komen wij verhalen, legenden, geschriften en berichten tegen die op de een of andere manier met het water van doen hebben.

Ook Oost-Nederland heeft zijn deel gekregen. 
Van een eensgezinde strijd tegen het water was in de Nederlanden geen sprake. 
Stadsbesturen van o.a. Arnhem en Nijmegen wilden zoveel mogelijk water in hun rivier, de levensader van handel en nijverheid. 
Een hoge waterstand dus. Maar de landjonkers en grootgrondbezitters waren verantwoordelijk voor de dijken, en zij wilden een zo laag mogelijke waterstand. Dan waren er nog de polderbouwers die land wilden winnen, en daartoe kribben en dammen aanlegden. Dat belemmerde in strenge winters de ijsafvoer en er ontstonden 'ijsdammen' die ook weer water tegenhielden zodat er overstromingen kwamen. 
Bijvoorbeeld in het jaar 1741. 
Met kerstmis zakte het water van Maas en Waal bij Tiel opeens meer dan een voet doordat het water stroomopwaarts bij Bemmel de Betuwe instroomde. 
'… Het was erbarmelijk te aanschouwen hoe de arme mensen vluchtten, met verlaating van vee en goed. Dog veele zijn in de kerken en op de kerkhoven gered, daar hen dagelijks toevoer van levensmiddelen wierd gebracht. De meeste boeren zijn geruineert. Die hun vee behouden hebben ontbreekt het voeder …'

Een van de ernstigste overstromingen uit de geschiedenis deed zich voor in januari 1809. 
Door de plotseling invallende dooi traden Rijn en Waal buiten hun oevers. 
Dijken braken door en de Betuwe veranderde in een binnenzee.

Dijkdoorbraken in 1861 in het land van Maas en Waal. Opnieuw vielen er doden. 
Huizen werden verwoest, grote delen stonden onder water.

migratie
Om e.e.a. over de migratie in Oost-Nederland te verduidelijken, het voorbeeld van dorp X;
Rond 1750 telde X 50 gezinnen, waarvan er slechts 5 goed waren voor  een inkomen van f 1000- of meer, 25 personen (de helft!) zijn daggelder, (=keuterboertje) met wat schapen en een geit, die ook nog bij een ander werkte. De meeste daghuurders hadden geen eigen dak boven hun hoofd. 
Zij voelden zich niet gebonden aan een vaste woonplaats, maar trokken daarheen waar zij werk vonden. 
En de hele huishouding trok mee. Vandaag wordt een kind gedoopt in dorp A, volgend jaar in dorp B en over twee en een half jaar in dorp C. 

armoede
De bevolking van deze streken - Rijk van Nijmegen en Land van Maas en Waal - kende grote armoede.
Ze werd geplaagd door
genoemde regelmatige overstromingen en door epidemieën onder mensen en vee. Vooral in de jaren '40 van de 18de eeuw heersten er voortdurende veeziekten.
Maar er zijn ook
door mensen veroorzaakte factoren aan te wijzen die bijdroegen aan de verpaupering in de 18de eeuw.
grootgrondbezit
Eén ervan is de verdere ontwikkeling van het
grootgrondbezit:
adellijke heren en burgerlijke
regenten kochten op grote schaal grond op van de verarmde boeren.
Die grond werd
vervolgens verpacht aan de meestbiedenden.